# Duits — Kapitel 2 - Wir
Bron: Toets-Mij (Wir)

Vraag 1

Beantwoord de volgende vraag.
Vertaal de volgende woorden naar het Duits. (Lernliste Niederländisch - Deutsch)
de oom
de vriend
de nicht
de zus
het meisje
de ouders
doen
aardig
heten
mooi
zestig
duizend

UITWERKING
der Onkel
der Freund
die Cousine
die Schwester
das Mädchen
die Eltern
machen
nett
heißen
schön of hübsch
sechzig
tausend
Toelichting
:
Let erop dat je alle zelfstandige naamwoorden met een hoofdletter schrijft.
Leer ook de meervoudsvormen van zelfstandige naamwoorden.
Bij het meervoud krijg je altijd ‘die’ als lidwoord.

Vraag 2

Beantwoord de volgende vraag.
Vertaal de woorden naar het Nederlands. (Lernliste Deutsch - Niederländisch)
das Handy
wichtig
die Verwandten
vielleicht
das Zimmer
oft
witzig
der Geburtstag
gern
gratulieren
ohne
quatschen

UITWERKING
het mobieltje
belangrijk
de familieleden
misschien
de kamer
vaak
grappig
de verjaardag
graag
feliciteren
zonder
kletsen

Vraag 3

Beantwoord de volgende vraag.
Zet het juiste woord in de zin. Vertaal deze naar het Duits. Er blijft 1 woord over. (Lernliste Niederländisch - Deutsch)
Kies uit: 
opa - twintig - wonen - gezin - haben - broers en zussen 
Das sind meine Großeltern. Das ist mein … .Er heißt Karl.
Ich habe 3 … , 2 Brüder und eine Schwester.
Mein Onkel und meine Tante … in Berlin.
Heute habe ich Geburtstag. Ich bin … geworden.
… die Kinder viel Spaß?

UITWERKING
Das sind meine Großeltern. Das ist mein 
Opa
 . Er heißt Karl.
Ich habe 3 
Geschwister
 , 2 Brüder und eine Schwester.
Mein Onkel und meine Tante 
wohnen
 in Berlin.
Heute habe ich Geburtstag. Ich bin 
zwanzig
 geworden.
Haben
 die Kinder viel Spaß?

Vraag 4

Beantwoord de volgende vraag.
Schrijf de getallen tussen haakjes voluit in het Duits in de zin. (Lernliste Niederländisch - Deutsch)
Sie ist (70) Jahre alt.
Er hat (51) Autos.
Sie haben (30) Welpen.
Das Kind hat bis (90) gezählt.
Das ist (1000) Jahre her.

UITWERKING
Sie ist 
siebzig
 Jahre alt.
Er hat 
einundfünfzig
 Autos.
Sie haben 
dreißig
 Welpen.
Das Kind hat bis 
neunzig
 gezählt.
Das ist 
tausend
 Jahre her.

Vraag 5

Beantwoord de volgende vraag.
Zet in de tabel de juiste vertaling van het persoonlijk voornaamwoord en de werkwoorden ‘haben’, ‘sein’ en ‘werden’. (Grammatik)
ik ben
ik heb
jij bent
jij hebt
hij, zij, het is
hij, zij, het heeft
wie is
wie heeft
wij zijn
wij hebben
jullie zijn
jullie hebben
zij zijn, u bent
zij hebben, u heeft

UITWERKING
ik ben
ich bin
ik heb
ich habe
jij bent
du bist
jij hebt
du hast
hij, zij, het ist
er, sie, es ist
hij, zij, het heeft
er, sie, es hat
wie is 
wer ist
wie heeft
wer hat
wij zijn
wir sind
wij hebben
wir haben
jullie zijn
ihr seid
jullie hebben
ihr habt
zij zijn, u bent
sie sind, Sie sind
zij hebben, u heeft
sie haben, Sie haben

Tip:
Leer deze rijtjes, in deze volgorde, uit je hoofd en schrijf ze op je toetsblaadje zodat je tijdens het maken van de opdracht meteen kan zien welke vorm je moet gebruiken. 
Extra uitleg:
Let op! Je ziet meerdere keren ‘sie’ in het rijtje staan. De 1e zij/sie gaat over 1 vrouwelijk persoon. De 2e zij/sie gaat over meerdere mensen. Dus als je over 2 of meer mensen praat, gebruik je altijd de onderste kleine zij/sie vorm. 
De ‘Sie’ onderaan in de rij betekent ‘u’. Deze vorm schrijf je altijd met een hoofdletter, ook als dit woord midden in een zin staat.
Je kan het persoonlijk voornaamwoord en werkwoord in het Duits gewoon omdraaien van volgorde als dat moet in een zin. Het werkwoord verandert dan niet. Kijk maar: jij bent -> du bist; ben jij -> bist du
Je kan hij, zij en het ook door een naam of persoon veranderen. Als in de zin bijvoorbeeld ‘Peter’ het onderwerp is, gebruik je de hij, zij, het vorm van het werkwoord. Als je met een groep mensen te maken hebt, gebruik je altijd de meervoud sie-vorm van het rijtje.

Vraag 6

Beantwoord de volgende vraag.
Schrijf de juiste vorm van het werkwoord ‘haben’ op in het Duits. (Grammatik)
Ich (haben) eine Schwester.
Meine Tante (haben) bei uns gegessen.
Wir (haben) jetzt Ferien.
Mein Bruder (haben) mich geweckt.
Es (haben) geregnet.
(haben) du Peter gesehen?
(haben) ihr morgen Schule?
Die Kinder (haben) zusammen gespielt.
Herr Meyer, (haben) Sie einen Hund?

UITWERKING
Ich 
habe
 eine Schwester.
Meine Tante 
hat
 bei uns gegessen.
Wir 
haben
 jetzt Ferien.
Mein Bruder 
hat
 mich geweckt.
Es 
hat
 geregnet.
Hast
 du Peter gesehen?
Habt
 ihr morgen Schule?
Die Kinder
 haben
 zusammen gespielt.
Herr Meyer, 
haben
 Sie einen Hund?
Toelichting: 
In zin H gebruik je voor 
die Kinder
 de werkwoordsvorm van sie-meervoud.

Vraag 7

Beantwoord de volgende vraag.
Vul de juiste vorm van het werkwoord ‘sein’ in. (Grammatik)
(sein) du sportlich?
(sein) er zu spät?
Wir (sein) bei meinen Großeltern.
Ich (sein) 13 Jahre alt.
(sein) ihr zufrieden?
Es (sein) warm.
Frau Meyer, (sein) Sie schon 50 Jahre alt?
Die Blumen (sein) sehr groß.
Anja (sein) meine Tante.

UITWERKING
Bist
 du sportlich?
Ist
 er zu spät?
Wir 
sind
 bei meinen Großeltern.
Ich 
bin
 13 Jahre alt.
Seid
 ihr zufrieden?
Es 
ist
 warm.
Frau Meyer, 
sind
 Sie schon 50 Jahre alt?
Die Blumen 
sind
 sehr groß.
Anja 
ist
 meine Tante.
Toelichting: 
In zin H gebruik je bij 
die Blumen
 de werkwoordsvorm van sie-meervoud.

Vraag 8

Beantwoord de volgende vraag.
Lees de zin en bepaal of je een vorm van het werkwoord haben, sein of werden moet gebruiken. Zet het werkwoord in het Duits in de zin. (Grammatik)
Wer … das Geschenk gekauft? 
Was … deine Handynummer?
… ihr noch Hunger?
Die Kinder … 12 Jahre alt.

UITWERKING
Wer 
hat
 das Geschenk gekauft? 
Was 
ist
 deine Handynummer?
Habt
 ihr noch Hunger?
Die Kinder 
sind
 12 Jahre alt.

Vraag 9

Beantwoord de volgende vraag.
Vertaal het onderstaande gesprek tussen twee klasgenoten in het Duits. Schrijf de getallen voluit in het Duits. Sommige vertalingen heb je al in hoofdstuk 1 geleerd. (Sprachmittel)
Schüler A
Schüler B
Wie is dat?
Dat is mijn vader. Hoe heet jouw vader?
Hij heet Tom. Hoe heet jouw vader?
Zijn naam is Peter. Hoe oud is Tom 
Hij is 36 jaar. Waar woont jouw oma?
Zij woont in Hamburg.
Hoe oud is ze?
Ze is 61 jaar oud. Heb je broers of zussen?
Nee, ik heb geen broers of zussen.

UITWERKING
Schüler A
Schüler B
Wer ist das?
Das ist mein Vater. Wie heißt dein Vater?
Er heißt Tom. Wie heißt dein Vater?
Sein Name ist Peter. Wie alt ist Tom?
Er ist sechsunddreißig Jahre alt. Wo wohnt deine Oma?
Sie wohnt in Hamburg.
Wie alt ist sie?
Sie ist einundsechzig Jahre alt. Hast du Geschwister?
Nein, ich habe keine Geschwister.
Toelichting: 
In je boek staan de volgende opties om uit te kiezen bij zinnen. Hieronder wordt uitgelegd wanneer je wat moet gebruiken:
- mein, dein → gebruik je bij mannelijke en onzijdige personen
- meine, deine → gebruik je bij vrouwelijke personen en meervoudsvormen van zelfstandige naamwoorden
Tip:
Leer de vraagwoorden die vaker terugkomen in dit hoofdstuk:
wie = wer
hoe = wie
waar = wo

Vraag 10

Beantwoord de volgende vraag.
Je schrijft een tekst waarin je Thomas voorstelt. Je vertelt het vanuit de ik-persoon. De volgende onderdelen moeten terugkomen in je tekst:
vertel hoe je heet en dat je je wilt voorstellen
vertel dat je dertien jaar oud bent en twee broers hebt
vertel dat je broers 11 en 9 zijn en dat ze meestal oke zijn
vertel dat jullie sportief zijn
vertel dat je uit Zwitserland komt en in Worb woont

UITWERKING
Ich heiße Thomas und möchte mich kurz vorstellen. Ich bin dreizehn Jahre alt und habe zwei Brüder. Sie sind elf und neun Jahre alt und sind meistens ganz okay. Wir sind übrigens alle sehr sportlich. Ich komme aus der Schweiz und wohne in Worb.