# Duits — Kapitel 3 - Schule
Bron: Toets-Mij (Schule)

Vraag 1

Beantwoord de volgende vraag.
Vertaal de volgende woorden naar het Duits. (Lernliste Niederländisch - Deutsch)
het lesrooster
de lerares
het schrift
moeilijk
Frans
op dinsdag
‘s avonds
half twee
in het weekend
volgende week
zesde

UITWERKING
der Stundenplan
die Lehrerin
das Heft
schwierig
Französisch
am Dienstag
abends
halb zwei
am Wochenende
nächste Woche
sechste
Toelichting
:
Let erop dat je alle zelfstandige naamwoorden met een hoofdletter schrijft.
Leer ook de meervoudsvormen van zelfstandige naamwoorden.
Bij het meervoud krijg je altijd ‘die’ als lidwoord.

Vraag 2

Beantwoord de volgende vraag.
Vertaal de woorden naar het Nederlands. (Lernliste Deutsch - Niederländisch)
die Note
der Klassenlehrer
das Referat
krank
nur
einfach 
anstrengend
kaum 
warten 
anfangen 
der Unterricht

UITWERKING
het cijfer
de mentor
de spreekbeurt
ziek
alleen
makkelijk
vermoeiend
nauwelijks
wachten
beginnen
de les, het onderwijs

Vraag 3

Beantwoord de volgende vraag.
Zet het juiste woord in de zin. Vertaal deze naar het Duits. Er blijft 1 woord over. (Lernliste Niederländisch - Deutsch)
Kies uit
: 
eerste - boek - pauze - saai - geschiedenis - proefwerk
Am Montag habe ich einen … von Mathe.
Peter findet Erdkunde … .
Ich bin … geworden.
Das ist mein … . Darin muss ich lesen.
Um halb elf haben wir … .

UITWERKING
Am Montag habe ich eine Klassenarbeit
 von Mathe.
Peter findet Erdkunde 
langweilig
.
Ich bin 
erste
 geworden.
Das ist mein 
Buch
. Darin muss ich lesen.
Um halb elf haben wir 
Pause
.
Toelichting
:
Let erop dat je alle zelfstandige naamwoorden met een hoofdletter schrijft!

Vraag 4

Beantwoord de volgende vraag.
Schrijf de rangtelwoorden tussen haakjes voluit in het Duits in de zin. (Lernliste Niederländisch - Deutsch)
Er ist (3e) geworden.
Das ist mein (10e) Auto.
Ich bin (5e) in der Reihe
Das ist ihr (7e) Kind.

UITWERKING
Er ist 
dritte
 geworden.
Das ist mein 
zehnte
 Auto.
Ich bin 
fünfte
 in der Reihe
Das ist ihr 
siebte
 Kind.

Vraag 5

Beantwoord de volgende vraag.
Geef van de onderstaande woordgroepen aan of ze mannelijk, vrouwelijk of onzijdig zijn. (Grammatik A)
de dagen
woorden die eindigen op -chen
woorden die eindigen op -e
Nederlandse ‘het’-woorden
woorden die eindigen op -heit

UITWERKING
mannelijk
onzijdig
vrouwelijk
onzijdig
vrouwelijk
Toelichting: 
Mannelijk:
mannelijke persoons- en diernamen
de dagen, maanden, jaargetijden en seizoenen 
de meeste stammen van werkwoorden
Vrouwelijk: 
vrouwelijke persoons- en diernamen
de meeste namen van dingen die eindigen op een -e 
de woorden die eindigen op -heit, -keit, -schaft, -ung, -ur, -ei, -ik, -ion, -tät 
de getallen wanneer in combinatie met een lidwoord 
Onzijdig: 
onzijdige woorden in het Nederlands (het-woorden) 
woorden die eindigen op -lein of -chen 
Tip:
Leer deze regels uit je hoofd met eventueel een voorbeeld erbij. Dit kun je dan op je toetsblaadje schrijven en dan kun je tijdens het invullen van de lidwoorden altijd spieken hoe je het geslacht kunt bepalen en dus weet welke vorm van het lidwoord je moet gebruiken.

Vraag 6

Beantwoord de volgende vraag.
Maak het overzicht van de 5 hoofdregels waarmee je het meervoud kan maken van zelfstandige naamwoorden hieronder compleet. (Grammatik B)
Mannelijk:
Vrouwelijk:
Onzijdig:
Mannelijke en onzijdige woorden 
die eindigen op -el, -en of -er ..... 
Veel woorden op 
op -a, -i, -o, -y:

UITWERKING
Mannelijk: 
umlaut + e
Vrouwelijk:
 + (e)n
Onzijdig: 
+e
Mannelijke en onzijdige woorden die eindigen op -el, -en of -er 
blijven in het meervoud vaak onveranderd.
Veel woorden op -a, -i, -o, -y: 
+s
Toelichting: 
Het lidwoord is in het meervoud is in het meervoud altijd
 
die. 
Een aantal uitzonderingen:
Bij woorden met 
au
 komt de umlaut op de 
a
 
 
das Haus → die Häuser
Vrouwelijke woorden die op 
-e, -el of -er
 eindigen, krijgen alleen een 
-n
 erachter
die Cousine → die Cousinen
die Schwester → die Schwestern
Bij samengestelde woorden komt de umlaut op het laatst woord 
der Urlaubsgruß → die Urlaubsgrüße
Vrouwelijke en onzijdige woorden die eindigen op een 
-n 
of 
-s
 krijgen een verdubbeling van deze letters in het meervoud. Dit is hetzelfde als in het Nederlands.
de vriendin → de vriendinnen 
die Freundin → die Freundinnen

Vraag 7

Beantwoord de volgende vraag.
Schrijf het juiste lidwoord voor het zelfstandig naamwoord. Denk aan de geslachtsregels van zelfstandige naamwoorden. (Grammatik A)
Kies uit: 
der - die - das 
Vater
Kuh
Fräulein
Löwe
Mädchen
Beginn
Übung
Sommer
Freundschaft
Kind
Katze
Süden
Brötchen
Spezialität
Kauf

UITWERKING
der Vater -> mannelijk persoon
die Kuh -> vrouwelijk dier
das Fräulein -> verkleinwoord eindigend op -lein
der Löwe -> mannelijk dier
das Mädchen -> verkleinwoord eindigend op -chen
der Beginn -> stam van een werkwoord
die Übung -> eindigt op -ung
der Sommer -> seizoen
die Freundschaft -> eindigt op -schaft
das Kind -> het-woord/onzijdig in het NL
die Katze -> eindigt op -e / vrouwelijk dier
der Süden -> windrichting
das Brötchen -> verkleinwoord eindigend op -chen
die Spezialität -> eindigt op -tät
der Kauf -> stam van een werkwoord
Toelichting: 
Als deze opdracht niet goed is gegaan, kijk dan nog eens naar opdracht 5.

Vraag 8

Beantwoord de volgende vraag.
Vul de meervoudsvormen van de zelfstandige naamwoorden in. (Grammatik)
Ich habe vier (Lehrerin).
Bob hat zwei (Schwester).
Die (Heft) sind vielfarbig.
Mein Onkel hat drei (Katze).
Die Klasse hat mehrere (Stundenplan).

UITWERKING
Ich habe vier
 Lehrerinnen
. -> vrouwelijk woord waarin de -n wordt verdubbeld en 
+en
 wordt toegevoegd.
Bob hat zwei 
Schwestern
. -> vrouwelijk woord 
+n
.
Die 
Hefte
 sind vielfarbig. -> onzijdig woord 
+e
.
Mein Onkel hat drei 
Katzen
. -> vrouwelijk woord 
+n
.
Die Klasse hat mehrere 
Stundenpläne
. mannelijk woord 
+ umlaut en e 
erachter.
Toelichting: 
Kijk nog eens naar opdracht 6 als je deze opdracht moeilijk vond.

Vraag 9

Beantwoord de volgende vraag.
Vertaal het onderstaande gesprek tussen twee buurkinderen in het Duits. Schrijf de getallen voluit in het Duits.  (Sprachmittel)
Schüler A
Schüler B
Op welke school zit je?
Ik zit op Elde college. In welke klas zit Sara?
Ze zit in de tweede klas. Hoe ziet het rooster eruit? Wanneer heb je Duits?
Op woensdag heb ik Duits. Om half 1 hebben we pauze.
Op donderdag hebben we een toets. Hoe vind je geschiedenis?
Geschiedenis vind ik makkelijk maar ook leuk. Hoe vind jij wiskunde?
Wiskunde vind ik moeilijk en niet saai. 
Nederlands is mijn lievelingsvak.

UITWERKING
Schüler A
Schüler B
Auf welche Schule gehst du?
Ich gehe auf Elde college. In welcher Klasse geht Sara?
Sie geht in die achte Klasse. Wie sieht der Stundenplan aus? Wann hast du Deutsch?
Am Mittwoch habe ich Deutsch. Um halb eins haben wir Pause.
Am Donnerstag schreiben wir einen Test. Wie findest du Geschichte?
Geschichte finde ich einfach, aber auch toll. Wie findest du Mathe?
Mathe finde ich schwierig und nicht langweilig.
Niederländisch ist mein Lieblingsfach.
Tip:
Leer de vraagwoorden die vaker terugkomen in dit hoofdstuk:
op = auf (of am bij een datum, auf in alle andere gevallen)
in = in
hoe = wie
wanneer = wann

Vraag 10

Beantwoord de volgende vraag.
Je schrijft een tekst waarin je jezelf voorstelt. De volgende onderdelen moeten terugkomen in je tekst:
vertel dat je school Heinrich-Heine-Schule heet
vertel dat je op het vwo zit in de tweede klas
vertel dat je op dinsdag het tweede uur tekenen hebt
vertel dat je Frans leuk vindt maar ook moeilijk
vertel dat je op woensdag de moeilijkste vakken hebt
vertel dat je twee keer per week Engels hebt

UITWERKING
Meine Schule heißt Heinrich-Heine-Schule. 
Ich gehe auf das Gymnasium. 
Ich gehe in die achte Klasse. 
Am Dienstag in der zweiten Stunde haben wir Kunst. 
Französisch finde ich toll, aber auch schwierig.
Am Mittwoch haben wir die schwierigsten Fächer. 
Wir haben zweimal in der Woche Englisch.
Tip: 
Let goed op wanneer je hoofdletters schrijft. Dit is belangrijk in het Duits.