# Frans — Hoofdstuk 1 - Voyages B
Bron: Toets-Mij (Voyages)
Vraag 1
Beantwoord de volgende vraag.
Vertaal onderstaande woorden naar het Nederlands (Apprendre 1 en 2)
arriver
le train.
la destination
la voiture
l’arrivée
UITWERKING
aankomen
de trein
de bestemming
de auto
de aankomst
Vraag 2
Beantwoord de volgende vraag.
Kies het juiste woord en vertaal het naar het Nederlands (Apprendre 1 en 2)
Le voyage/le péage
s’est bien passé.
Sur l’autoroute, il n’y avait pas de
bouchons/ticket.
Nous nous sommes arrêtés à
la station service/le panneau
.
Ensuite nous avons
garer/continuer
à rouler.
Mais à la sortie nous avons oublié de
pleurer/sortir.
UITWERKING
le voyage: de reis
bouchons: files
la station de service: het tankstation:
continuer: doorgaan
sortir: uitgaan
Vraag 3
Beantwoord de volgende vraag.
Vertaal onderstaande woorden naar het Frans (Apprendre 4, 6 en 8)
de staking
haast je
missen
het perron
oversteken
reisroute
richting
laat
overstappen
de rij
UITWERKING
la grève
dépêche-toi
rater
le quai
traverser
itinéraire
direction
tard
changer
la queue
Vraag 4
Beantwoord de volgende vraag.
Hoe zeg je in het Frans (Apprendre 7 en 9)
Kunt u mij alstublieft helpen?
We hebben dicht bij de zee gekampeerd. Het was geweldig!
Vanaf welke spoor vertrekt de RER?
Wij zijn een week in Cannes gebleven.
Ik heb wandelingen gemaakt in de bergen.
UITWERKING
Vous pouvez m’aider s’il vous plaît?
On a fait du camping près de la mer. C'était super !
Le RER part de quelle voie?
Nous sommes restés une semaine à Cannes.
J’ai fait des randonnées en montagne.
Vraag 5
Beantwoord de volgende vraag.
Vul het rijtje van het werkwoord
partir
in:
je …
tu …
il, elle, on …
nous …
vous …
ils, elles …
UITWERKING
je pars
tu pars
il, elle, on part
nous partons
vous partez
ils, elles partent
Vraag 6
Beantwoord de volgende vraag.
Vul het rijtje van het werkwoord
sortir
in (Apprendre 3):
je …
tu …
il, elle, on …
nous …
vous …
ils, elles …
UITWERKING
je sors
tu sors
il, elle, on sort
nous sortons
vous sortez
ils, elles sortent
Vraag 7
Beantwoord de volgende vraag.
Vul de regel aan:
De passé composé van partir maak je met het hulpwerkwoord …
Ik ben vertrokken is in het Frans dus: … … …
UITWERKING
être
je suis parti(e)
Vraag 8
Beantwoord de volgende vraag.
Vul de regel over de passé composé met être Frans aan (Apprendre 5)
In het Frans gebruik je meestal bij de passé composé het hulpwerkwoord être als je in het Nederlands het hulpwerkwoord … gebruikt.
Als je het hulpwerkwoord être gebruikt komt er bij het voltooid deelwoord een:
… als het vrouwelijk is
… als het meervoud is
… als het vrouwelijk meervoud is
UITWERKING
In het Frans gebruik je meestal bij de passé composé het hulpwerkwoord être als je in het Nederlands het hulpwerkwoord zijn gebruikt.
Als je het hulpwerkwoord être gebruikt komt er bij het voltooid deelwoord een:
e als het vrouwelijk is
s als het meervoud is
es als het vrouwelijk meervoud is
Vraag 9
Beantwoord de volgende vraag.
Vul de woorden die je net hebt vertaald (opdracht 3) in de juiste zin, je houdt 2 woorden over.
Nous attendons le train sur ….
Il faudra … à la gare suivante.
… nous allons être en retard!
Et si on est en retard on va … le train!
Zut! le train ne part pas à cause de ….
Nous devons choisir un autre …
Pourquoi es-tu arrivé si ... ?
Nous devons prendre quelle … pour aller au centre?
UITWERKING
le perron
descendre
Dépêche-toi
rater
la grève
itinéraire
tard
direction
Vraag 10
Beantwoord de volgende vraag.
Vul de juiste vorm in van de werkwoorden
partir
en
sortir
(Apprendre 3)
a) Nous (vertrekken)… à quelle heure?
b) Tu (bent uitgegaan)... hier soir?
c) Elles (vertrekt)… demain en Espagne. (partir)
d) (Jullie gaan uit) … souvent?
e) (Ik ga uit) … ce soir.
f) (Hij is vertrokken) … hier soir.
UITWERKING
a) partons
b) es sorti
(
passé composé
)
c) partent
d) Vous sortez
e) Je sors
f) Il est parti
(passé composé)
Vraag 11
Beantwoord de volgende vraag.
Zet onderstaande werkwoorden in de passé composé (Apprendre 5)
Let op! Tussen haakjes staat aangegeven of het persoonlijk voornaamwoord mannelijk of vrouwelijk is.
Je … ...hier. (rentrer)
Tu (vr) … … au restaurant? (aller)
Vous (mn) … … comment? (venir)
J’... … une glace. (manger)
Il … … samedi. (sortir)
Elles … … dans le bus. (monter)
UITWERKING
suis rentré
es allée
êtes venus
J’ai mangé
est sorti
sont montées
Toelichting:
Kijk goed of het persoonlijk voornaamwoord mannelijk, vrouwelijk, meervoud is en voeg nog een -e als het vrouwelijk is,een -s als het meervoud is en een -es als het vrouwelijk meervoud is.
Vraag 12
Beantwoord de volgende vraag.
Vertaal onderstaande zinnen naar het Frans (Apprendre 7 en 9 en het weer)
Wat voor weer is het in Luxemburg?
Gelukkig schijnt de zon de heel tijd.
In Cannes, is het altijd mooi weer.
Ik ben met het vliegtuig naar Toulouse gegaan met mijn ouders.
UITWERKING
Quel temps fait-il au Luxembourg?
Heureusement, il a fait du soleil tout le temps.
A Cannes, il fait toujours beau.
Je suis allé(e) à Toulouse avec mes parents en avion.